Hoe kan ik regelmatig op de hoogte gehouden worden van de pollenconcentraties van de lucht in België ?
Op de homepage van onze website vindt u net als vroeger een regelmatige update van de belangrijkste allergieverwekkende stuifmeelsoort van de lucht in Brussel.
Via de rubriek “Belgisch net” kan u de situatie eveneens volgen in de verschillende andere stations. Het volstaat de inzamelplaats aan te klikken om de grafiek te laten verschijnen. Deze update gebeurt één maal per week.
Een overzicht van de weektotalen voor alle getelde soorten, een grafische voorstelling van de resultaten en een wekelijks commentaar, kan u bekomen via de “Newsletter”.
Wat verstaan we onder kruisreactiviteit ?
De meeste allergielijders reageren niet alleen op één enkele stuifmeelsoort maar ook op stuifmeel van gelijkaardige soorten. Zo bevatten bijvoorbeeld de bomen van de berkenfamilie (berk, hazelaar, els en haagbeuk) en deze van de beukenfamilie (eik, beuk en tamme kastanje) sterk gelijkende allergenen. Men spreekt hier van kruisreactiviteit.
Belangrijk om te weten is dat dergelijke kruisreacties zich ook kunnen voordoen tussen stuifmeel en voedingswaren. Zo kan het eten van rauwe vruchten als appels, kersen, amandelen, hazelnoten en kiwi’s bij heel wat mensen met een berkenpollenallergie problemen geven van jeuk, opzwellende lippen….
Waarom worden de grafieken van de meetposten in Genk en De Haan slechts één maal per week aangepast?
Eén maal in de week, de maandagmorgen, wordt de drum met de kleefband opgestuurd naar de dienst Mycologie & Aerobiologie van het WIV in Brussel. Daar wordt de kleefband in stukken geknipt en gemonteerd op microscoopglaasjes.
De identificatie en de telling van de luchtdeeltjes gebeuren vervolgens met de microscoop en de resultaten worden uitgedrukt in dagelijks aantal korrels of sporen per m3 lucht. Tenlaatste op woensdagmorgen zijn de verschillende gegevens beschikbaar op de website.
Aangezien het inzamelapparaat van Brussel zich op het dak van het WIV bevindt, hebben we de mogelijkheid om elke werkdag in de loop van de voormiddag een aflezing van het luchtmonster uit te voeren.
Waarom blijft deze surveillance nodig?
Het gemeten aantal stuifmeelkorrels en schimmelsporen wordt voornamelijk beïnvloed door de weersomstandigheden: dit zowel bij het vormen van de bloeiwijzen (voor sommige winterbloeiende bomen al in de zomer) als bij het vrijzetten van het stuifmeel (regen doet het stuifmeel uit de lucht neerslaan). Bovendien bestaat er het fenomeen “fysiologische cyclus” bij de bomen. Hierbij wordt een jaar van sterke stuifmeelproductie (dikwijls ook een jaar met sterke vruchtproductie) meestal gevolgd door een of meerdere jaren van zwakke productie.
Bovendien is een sterk jaar voor een bepaalde boomsoort niet noodzakelijkerwijze een sterk jaar voor een andere boomsoort, zelfs al bloeien beide soorten in dezelfde periode van het jaar.
Ook voor de detectie van nieuwe allergenen, die bijvoorbeeld onder invloed van de klimaatverandering zouden opduiken, dient deze surveillance verder gezet te worden.
Heeft de klimaatverandering een invloed op het pollenspectrum van de lucht?
Naast het bestaande spectrum van allergieverwekkende planten, die deel uit maken van onze natuurlijke inlandse flora moeten we op onze hoede zijn voor nieuwe indringers die zich onder invloed van de opwarming van het klimaat in onze streken zouden kunnen inburgeren. Zij kunnen ofwel spontaan in onze vegetatie opduiken, ofwel een gevolg zijn van nieuwe trends in de groensector en de tuinarchitectuur.
- Enkele voorbeelden van spontaan opduikende “nieuwe” allergenen:
Ambrosia, gekend als de belangrijkste hooikoortsverwekker in Noord-Amerika, werd in het begin van de twintigste eeuw via transport van granen in Europa geïntroduceerd. Deze kruidachtige plant vond een ideaal biotoop in het Middellandse zeegebied en breidde haar territorium uit tot de streek van Lyon. De laatste jaren vormt zij tevens een waar probleem voor de volksgezondheid in verschillende gebieden van Hongarije, in Wenen, in de Povlakte. Ook in Zwitserland werd zij sporadisch aangetroffen in de streek van Tessin en in Genève.
Volgens inlichtingen van de Nationale Plantentuin in Meise zou de plant in België nog steeds beschouwd worden als adventief plant. Zij komt slechts sporadisch voor en vormt geen kiemkrachtig zaad. Een opwarming van het klimaat zou daar echter verandering kunnen in brengen. Het gevaar komt uit meerdere hoeken: het stuifmeel is sterk allergeen en de zaden overleven gedurende jaren in de grond! Daarenboven bloeit de plant pas in september waardoor de risicoperiode voor allergielijders aanzienlijk zou verlengd worden.
Een andere sterke allergieverwekker uit Zuid-Europa is het glaskruid (Parietaria). In België komt de plant slechts op enkele plaatsen voor. Ze groeit bijvoorbeeld vrij uitbundig op de muren langs de reien in Brugge. Het belang van deze lokale vegetatie voor de ademhalingsallergieën werd tot hiertoe nog niet bestudeerd, maar ook hier bestaat het gevaar van uitbreiding van het territorium bij gunstige omstandigheden.
- Volgend voorbeeld illustreert de introductie van uitheemse plantensoorten als gevolg van trends in de groensector.
De olijfboom (Olea europea) is een van de grote boosdoeners in Zuid-Europa. Deze boom, die daar frequent wordt aangeplant voor de productie van olijven, behoort samen met de es (Fraxinus), de Ligustrum, het Chinees klokje (Forsythia) en de sering (Syringa) tot de Olijffamilie. Aangezien er een kruisreactiviteit bestaat tussen het stuifmeel van deze bomen, kan iemand die in het Zuiden van Frankrijk gesensibiliseerd werd voor stuifmeel van de olijf, ook bij ons problemen ondervinden bij het inademen van stuifmeel van de es. Vandaar dat er met de nodige voorzichtigheid moet omgegaan worden bij het invoeren van olijfbomen in ons land. Als dit niet gebeurt, stevenen we binnen enkele jaren af op een nieuw probleem van volksgezondheid!